Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:26

[1] Een psalm, een lied, op de sabbatdag.

[2] Het is goed om deHEERE te loven en voor Uw Naam psalmen te zingen, Allerhoogste;

[3] in de morgen Uw goedertierenheid te verkondigen en Uw trouw in de nachten,

[4] op het tiensnarig instrument en op de luit, bij snarenspel op de harp.

[5] Want U hebt mij verblijd,HEERE , met Uw daden; ik zal vrolijk zingen over de werken van Uw handen.

[6] HEERE , hoe groot zijn Uw werken, zeer diep zijn Uw gedachten.

[7] Een onverstandig man weet hier niets van en een dwaas begrijpt dit niet:

[8] wanneer de goddelozen groeien als gras en allen die onrecht bedrijven, bloeien om tot in eeuwigheid weggevaagd te worden!

[9] Maar U bent de Allerhoogste, voor eeuwig deHEERE .

[10] Want zie, Uw vijanden,HEERE , want zie, Uw vijanden zullen omkomen; allen die onrecht bedrijven, zullen overal verspreid worden.

[11] Maar U zult mijn hoorn opheffen als die van een wilde os, ik ben met verse olie overgoten.

[12] Mijn oog zal de val aanschouwen van hen die mij bespieden; mijn oren zullen horen wat de kwaaddoeners overkomt die tegen mij opstaan.

[13] De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal opgroeien als een ceder op de Libanon.

[14] Wie in het huis van deHEERE geplant zijn, die mogen groeien in de voorhoven van onze God.

[15] In de ouderdom zullen zij nog vruchten dragen, zij zullen fris en groen zijn,

[16] om te verkondigen dat deHEERE waarachtig is; Hij is mijn rots en in Hem is geen onrecht.

Psalmen — Chapters