[1] Een psalm van David, voor de koorleider, bij snarenspel, op ‘De achtste’.
[2] HEERE , straf mij niet in Uw toorn, bestraf mij niet in Uw grimmigheid!
[3] Wees mij genadig,HEERE , want ik ben verzwakt, genees mij,HEERE , want mijn beenderen zijn verschrikt.
[4] Ja, mijn ziel is zeer door schrik overmand. En U,HEERE , hoelang nog?
[5] Keer terug,HEERE , red mijn ziel, verlos mij, omwille van Uw goedertierenheid.
[6] Want in de dood is er geen gedachtenis aan U, wie zal U loven in het graf?
[7] Ik ben moe van mijn zuchten, heel de nacht maak ik mijn bed nat, doorweek ik mijn rustbank met mijn tranen.
[8] Mijn ogen zijn verzwakt van verdriet, ze zijn oud geworden vanwege al mijn tegenstanders.
[9] Ga weg van mij, u allen die onrecht bedrijft, want deHEERE heeft mijn luide geween gehoord.
[10] DeHEERE heeft mijn smeken gehoord, deHEERE zal mijn gebed aannemen.
[11] Al mijn vijanden worden zeer beschaamd en door schrik overmand; zij deinzen terug, zij worden in een ogenblik beschaamd.