[1] Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De achtste’.
[2] Breng verlossing,HEERE , want goedertieren mensen zijn er niet meer, onder de mensenkinderen zijn er nog maar weinig trouw.
[3] Valse dingen spreekt men tot elkaar, met vleiende lippen; dubbelhartig spreekt men.
[4] Laat deHEERE alle vleiende lippen afsnijden en de tong vol grootspraak.
[5] Zij zeggen: Met onze tong zullen wij de overhand hebben! Onze lippen zijn van ons! Wie is heer over ons?
[6] Om de verwoesting van de ellendigen en het gekerm van de armen zal Ik nu opstaan, zegt deHEERE ; Ik zal in veiligheid brengen wie hij weg wil blazen.
[7] De woorden van deHEERE zijn reine woorden, als zilver gelouterd in een aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.
[8] Ú,HEERE , zult hen bewaren, U zult hen beschermen tegen dit geslacht, voor eeuwig.
[9] Overal draven goddelozen rond, wanneer de gemeensten onder de mensenkinderen verhoogd worden.