Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:19

[1] HEERE , waarom blijft U van verre staan? Waarom verbergt U Zich in tijden van benauwdheid?

[2] Fel en hoogmoedig achtervolgt de goddeloze de ellendige. Laat hen gegrepen worden in de listige plannen die zij bedacht hebben!

[3] Want de goddeloze beroemt zich over zijn hartenwens; hij zegent de hebzuchtige, hij lastert deHEERE .

[4] De goddeloze, met zijn neus trots omhoog, onderzoekt niet. Al zijn gedachten zijn: Er is geen God!

[5] Zijn wegen bezorgen te allen tijde verdriet. Uw oordelen gaan hem te hoog, hij houdt ze ver van zich; al zijn tegenstanders blaast hij weg.

[6] Hij zegt in zijn hart: Ik zal niet wankelen, want van generatie op generatie zal mij geen onheil treffen.

[7] Zijn mond is vol vervloeking, bedrog en list, onder zijn tong is kwaad en onrecht.

[8] Hij ligt in een hinderlaag in de dorpen, op verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige, zijn ogen loeren op de arme.

[9] Hij ligt in een hinderlaag op een verborgen plaats, zoals een leeuw in zijn schuilplaats; hij ligt in een hinderlaag om de ellendige te overvallen, hij overvalt de ellendige als hij hem in zijn net trekt.

[10] Hij duikt neer, hij bukt zich, en de arme valt in zijn sterke poten.

[11] Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet het in eeuwigheid niet.

[12] Sta op,HEERE God, hef Uw hand op, vergeet de ellendigen niet.

[13] Waarom lastert de goddeloze God? Waarom zegt hij in zijn hart: U zult geen rekenschap eisen?

[14] Ú ziet het wél, want U aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in Uw hand geeft; op Ú verlaat de arme zich, U bent geweest een Helper van de wees.

[15] Breek de arm van de goddeloze en de kwaaddoener, eis rekenschap van hem over zijn goddeloosheid, tot U er niets meer van vindt.

[16] DeHEERE is Koning, eeuwig en altijd; de heidenvolken zijn uit Zijn land verdwenen.

[17] U hebt de wens van de zachtmoedigen gehoord,HEERE , U zult hun hart versterken, Uw oor zal er acht op slaan

[18] om de wees en de verdrukte recht te doen. Dan zal een aardse sterveling voortaan geen geweld meer bedrijven.

Psalmen — Chapters