Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:35

[1] Een psalm van David, voor de koorleider. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij handelen verderfelijk, bedrijven gruwelijke daden; er is niemand die goeddoet.

[2] DeHEERE heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen, om te zien of er iemand verstandig was, iemand die God zocht.

[3] Zij allen zijn afgedwaald, tezamen zijn zij verdorven; er is niemand die goeddoet, zelfs niet één.

[4] Hebben zij dan geen kennis, allen die onrecht bedrijven, die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen deHEERE niet aan.

[5] Daar worden zij door angst bevangen, want God is bij het geslacht van de rechtvaardige!

[6] Weliswaar beschaamt u het voornemen van de ellendige, maar deHEERE is zijn toevlucht.

[7] Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwam! Wanneer deHEERE de gevangenen van Zijn volk laat terugkeren, dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn.

Psalmen — Chapters