Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 10:01

[1] Een onderwijzing van Asaf. Mijn volk, neem mijn onderricht ter ore, neig uw oor tot de woorden van mijn mond.

[2] Ik wil mijn mond met spreuken opendoen en van aloude verborgenheden doen overvloeien,

[3] die wij gehoord hebben en weten en onze vaders ons verteld hebben.

[4] Wij zullen ze niet verbergen voor hun kinderen, maar aan de volgende generatie de loffelijke daden van deHEERE vertellen, Zijn kracht en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

[5] Want Hij heeft een getuigenis ingesteld in Jakob, een wet vastgesteld in Israël; die heeft Hij onze vaderen geboden om ze hun kinderen bekend te maken,

[6] opdat de volgende generatie ze zal kennen, de kinderen die geboren zullen worden, en zij opstaan en ze weer aan hun kinderen vertellen;

[7] zodat zij hun hoop op God stellen en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden in acht nemen,

[8] en niet worden als hun vaderen: een opstandige en ongehoorzame generatie, een generatie die zijn hart niet richtte op God en van wie de geest niet trouw was aan God.

[9] De zonen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om op de dag van de strijd.

[10] Zij namen Gods verbond niet in acht en weigerden te wandelen in Zijn wet.

[11] Zij vergaten Zijn daden en Zijn wonderen, die Hij hun had laten zien.

[12] Voor de ogen van hun vaderen had Hij wonderen gedaan in het land Egypte, in het gebied van Zoan.

[13] Hij spleet de zee doormidden en deed hen erdoor gaan, de wateren deed Hij rechtop staan als een dam.

[14] Hij leidde hen overdag met een wolk, de hele nacht met een lichtend vuur.

[15] Hij spleet de rotsen doormidden in de woestijn en liet hen overvloedig drinken als uit diepe wateren.

[16] Want Hij bracht stromen voort uit de rots en deed water neerstorten als rivieren.

[17] Toch gingen zij door met tegen Hem te zondigen: zij tergden de Allerhoogste in de dorre wildernis.

[18] Zij stelden God in hun hart op de proef: zij vroegen om voedsel, overeenkomstig hun verlangen.

[19] Zij spraken tegen God en zeiden: Zou God een tafel gereed kunnen maken in de woestijn?

[20] Zie, Hij heeft de rots geslagen, zodat er water uitvloeide en er beken overvloedig uitstroomden. Zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volk van vlees kunnen voorzien?

[21] Daarom hoorde deHEERE het en werd verbolgen; een vuur ontstak tegen Jakob, ja, toorn laaide op tegen Israël.

[22] Want zij geloofden niet in God en vertrouwden niet op Zijn heil.

[23] Hij gebood de wolken daarboven en opende de deuren van de hemel:

[24] Hij liet manna op hen regenen om te eten en gaf hun hemels koren.

[25] Eenieder at het brood van de machtigen; Hij zond hun proviand tot verzadiging toe.

[26] Hij deed de oostenwind opsteken langs de hemel en voerde door Zijn macht de zuidenwind aan.

[27] Hij liet vlees op hen regenen als stof en gevleugelde vogels als zand van de zee.

[28] Hij deed het vallen midden in Zijn kamp, rondom Zijn woningen.

[29] Toen aten zij en werden volop verzadigd, omdat Hij hun bracht wat zij begeerden.

[30] Zij waren van hun begeerte nog niet bekomen, hun voedsel was nog in hun mond,

[31] of Gods toorn laaide tegen hen op: Hij doodde de welgedane mensen onder hen en velde de besten van Israël neer.

[32] Ondanks dit alles zondigden zij nog en geloofden zij niet door middel van Zijn wonderen.

[33] Daarom deed Hij hun dagen vergaan in vergankelijkheid, en hun jaren in verschrikking.

[34] Wanneer Hij hen doodde, vroegen zij naar Hem en keerden terug en zochten God ernstig.

[35] Dan dachten zij eraan dat God hun rots was en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.

[36] Maar zij vleiden Hem met hun mond en logen tegen Hem met hun tong.

[37] Want hun hart was niet standvastig bij Hem, en zij waren niet trouw aan Zijn verbond.

[38] Maar Hij was barmhartig en verzoende de ongerechtigheid, Hij richtte hen niet te gronde, maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn volle grimmigheid niet op.

[39] Hij dacht eraan dat zij broze schepselen waren, een windvlaag, die gaat en niet terugkeert.

[40] Hoe vaak tergden zij Hem in de woestijn, bedroefden zij Hem in de wildernis!

[41] Want telkens weer stelden zij God op de proef en beperkten de Heilige van Israël.

[42] Zij dachten niet meer aan Zijn machtige hand, aan de dag dat Hij hen van de tegenstander verloste,

[43] toen Hij Zijn tekenen verrichtte in Egypte en Zijn wonderen in het gebied van Zoan.

[44] Hun rivieren veranderde Hij in bloed, en ook hun stromen, zodat zij niet konden drinken.

[45] Hij zond steekvliegen onder hen, die hen verteerden, en kikkers, die hen te gronde richtten.

[46] Hij gaf hun gewas aan de zwermsprinkhaan, aan de veldsprinkhaan hun opbrengst.

[47] Hij doodde hun wijnstok door de hagel, hun wilde vijgenbomen door grote hagelstenen.

[48] Ook leverde Hij hun dieren aan de hagel over, hun vee aan de vurige bliksemflitsen.

[49] Hij zond Zijn brandende toorn op hen af, verbolgenheid, gramschap, benauwdheid, Hij zond een menigte boden van rampen.

[50] Hij baande een pad voor Zijn toorn, Hij ontrukte hun ziel niet aan de dood, hun dieren leverde Hij over aan de pest.

[51] Hij trof al het eerstgeborene in Egypte, de eerste vruchten van de mannelijke kracht in de tenten van Cham.

[52] Hij liet Zijn volk als schapen wegtrekken en leidde hen als een kudde door de woestijn.

[53] Ja, Hij leidde hen veilig, zodat zij niet angstig waren, want de zee had hun vijanden bedolven.

[54] Hij bracht hen naar Zijn heilig grondgebied, naar deze berg, die Zijn rechterhand verworven had.

[55] Hij verdreef de heidenvolken voor hun ogen, verdeelde hun erfelijk bezit door een meetsnoer en deed de stammen van Israël in hun tenten wonen.

[56] Maar zij stelden God, de Allerhoogste, op de proef en tergden Hem, en namen Zijn getuigenissen niet in acht.

[57] Zij werden afkerig en handelden trouweloos, zoals hun vaders, zij keerden zich om als een bedrieglijke boog.

[58] Zij verwekten Hem tot toorn door hun offerhoogten, verwekten Hem tot na-ijver door hun afgodsbeelden.

[59] God hoorde het en werd verbolgen, Hij verachtte Israël zeer.

[60] Daarom verliet Hij de tabernakel te Silo, de tent waarin Hij woonde onder de mensen.

[61] Hij gaf Zijn macht over in gevangenschap, Zijn luister in de hand van de tegenstander.

[62] Hij leverde Zijn volk over aan het zwaard en werd verbolgen op Zijn eigendom.

[63] Het vuur verteerde hun jongemannen, hun jonge vrouwen werden niet geprezen.

[64] Hun priesters vielen door het zwaard, hun weduwen weenden niet.

[65] Toen ontwaakte de Heere als iemand die slaapt, als een held die juicht van de wijn.

[66] Hij sloeg Zijn tegenstanders vanachter, Hij deed hun voor eeuwig smaad aan.

[67] Hij verwierp de tent van Jozef, de stam Efraïm verkoos Hij niet.

[68] Maar Hij verkoos de stam Juda, de berg Sion, die Hij liefhad.

[69] Hij bouwde Zijn heiligdom, als hoogten, en vast als de aarde, die Hij voor eeuwig grondvestte.

[70] Hij verkoos Zijn dienaar David en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.

[71] Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn eigendom.

[72] Hij heeft hen geweid met een oprecht hart en hen geleid met zeer bekwame hand.

Psalmen — Chapters