Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:49

[1] Een gebed van David. HEERE , luister naar mijn rechtvaardige zaak, sla acht op mijn roepen, neem mijn gebed ter ore, met onbedrieglijke lippen gesproken.

[2] Laat van Uw aangezicht mijn recht uitgaan, laat Uw ogen zien wat billijk is.

[3] U hebt mijn hart beproefd, het 's nachts doorzocht, U hebt mij getoetst, U vindt niets. Wat ik ook moge denken, het komt mij niet uit de mond.

[4] Wat de daden van de mens betreft, ík ben overeenkomstig het woord van Uw lippen op mijn hoede geweest voor de paden van de gewelddadige.

[5] Ik hield mijn schreden in Uw sporen, zodat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

[6] Ík roep U aan, omdat U mij verhoort, o God; neig Uw oor tot mij, luister naar mijn woorden.

[7] Toon de wonderen van Uw goedertierenheid, U, Die hen verlost die tot U de toevlucht nemen, van hen die tegen Uw rechterhand opstaan.

[8] Bewaar mij als Uw oogappel, verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels

[9] voor de goddelozen die mij verwoesten, voor mijn doodsvijanden, die mij omsingelen.

[10] Met hun vet hebben zij hun hart afgesloten, met hun mond hebben zij trotse taal gesproken.

[11] Zij omringen nu onze schreden, zij loeren op ons, door zich ter aarde neer te buigen.

[12] Hij is als een leeuw die ernaar verlangt te verscheuren, als een jonge leeuw die op verborgen plaatsen zit.

[13] Sta op,HEERE , treed hem tegemoet, vel hem neer; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van de goddeloze,

[14] bevrijd mij met Uw hand van de mannen,HEERE , van de mannen van de wereld, die hun deel hebben in dít leven. U vult hun buik met Uw verborgen schatten; hun kinderen worden verzadigd en laten hun overschot na aan hún kinderen.

[15] Ik echter zal in gerechtigheid Uw aangezicht aanschouwen; ik zal, wanneer ik ontwaak, verzadigd worden met Uw beeld.

Psalmen — Chapters