Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:20

[1] Een psalm van David, voor de koorleider.

[2] Welzalig is hij die verstandig omgaat met een ellendige; in dagen van onheil zal deHEERE hem bevrijden.

[3] DeHEERE zal hem bewaren en hem in het leven behouden; hij zal op aarde gelukkig gemaakt worden. Geef hem niet over aan het verlangen van zijn vijanden.

[4] DeHEERE zal hem ondersteunen op zijn rustbank; als hij ziek is, maakt U heel zijn ziekbed anders.

[5] Ik zei:HEERE , wees mij genadig; genees mijn ziel, want ik heb tegen U gezondigd.

[6] Mijn vijanden spreken kwaad over mij en zeggen: Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?

[7] Als een van hen naar mij komt kijken, spreekt hij valse dingen en zijn hart brengt onrecht bijeen; gaat hij naar buiten, dan spreekt hij daarover.

[8] Allen die mij haten, mompelen tezamen over mij. Zij bedenken tegen mij wat slecht voor mij is en zeggen:

[9] Verdorven praktijken kleven hem aan; wie zo neerligt, zal niet meer opstaan.

[10] Zelfs de man met wie ik in vrede leefde, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zich tegen mij gekeerd.

[11] Maar U,HEERE , wees mij genadig, en laat mij opstaan, zodat ik het hun vergeld.

[12] Hierdoor weet ik dat U mij genegen bent: dat mijn vijand over mij niet zal juichen.

[13] Want wat mij betreft, U ondersteunt mij in mijn oprechtheid, U plaatst mij voor Uw aangezicht, voor eeuwig.

[14] Geloofd zij deHEERE , de God van Israël, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen, ja, amen.

Psalmen — Chapters