Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:03

[1] Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God, want ik heb tot U de toevlucht genomen.

[2] Mijn ziel, u hebt tegen deHEERE gezegd: U bent de Heere; mijn goedheid is niet voor U,

[3] maar voor de heiligen die op de aarde zijn, en de machtigen, in wie ik al mijn vreugde vind.

[4] Groot wordt het leed van hen die andere goden geschenken geven; ik echter giet geen plengoffers van bloed voor ze uit en neem de namen ervan niet op mijn lippen.

[5] DeHEERE is mijn enig deel en mijn beker. U onderhoudt wat het lot mij toewees.

[6] De meetsnoeren zijn voor mij in lieflijke plaatsen gevallen, ja, een prachtig erfelijk bezit heb ik gekregen.

[7] Ik loof deHEERE , Die mij raad heeft gegeven; zelfs 's nachts onderwijzen mij mijn nieren.

[8] Ik stel mij deHEERE voortdurend voor ogen; omdat Hij aan mijn rechterhand is, wankel ik niet.

[9] Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich, ook zal mijn lichaam veilig wonen.

[10] Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten, U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet.

[11] U maakt mij het pad ten leven bekend; overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.

Psalmen — Chapters