Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:58

[1] Een psalm van David, voor de koorleider.

[2] Hoor, o God, mijn stem wanneer ik klaag; bescherm mijn leven tegen bedreiging door de vijand.

[3] Verberg mij voor de heimelijke plannen van de kwaaddoeners, voor de oproerige menigte van wie onrecht bedrijven.

[4] Zij die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl,

[5] om in verborgen plaatsen de oprechte te beschieten; plotseling schieten zij op hem en zij zijn niet bevreesd.

[6] Zij maken zich sterk voor een slechte zaak; zij spreken af om valstrikken te verbergen, en zeggen: Wie zal ze zien?

[7] Zij zijn op zoek naar allerlei onrecht, uiterst grondig zijn zij overal naar op zoek, zelfs naar iemands binnenste en het diepe hart.

[8] Maar God zal plotseling met een pijl op hen schieten; hun wonden zijn er al.

[9] Hun eigen tong zal hen laten struikelen; al wie hen ziet, zal wegvluchten.

[10] Alle mensen zullen vrezen, Gods werk verkondigen en wat Hij gedaan heeft, opmerken.

[11] De rechtvaardige zal zich verblijden in deHEERE en tot Hem de toevlucht nemen; alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

Psalmen — Chapters