Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:52

[1] Een lied, een psalm van David.

[2] O God, mijn hart is bereid; ik zal zingen, ik zal psalmen zingen, ook zal mijn eer U loven.

[3] Ontwaak, luit en harp; ik zal de dageraad doen ontwaken.

[4] Ik zal U loven onder de volken,HEERE ; ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.

[5] Want Uw goedertierenheid is groot en reikt tot boven de hemel, Uw trouw tot de wolken.

[6] Verhef U boven de hemel, o God, en Uw eer over de hele aarde,

[7] opdat Uw beminden gered worden. Verlos door Uw rechterhand en verhoor ons.

[8] God heeft gesproken in Zijn heiligdom, daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem verdelen, het dal van Sukkoth zal ik opmeten.

[9] Gilead is van mij, Manasse is van mij, Efraïm de bescherming voor mijn hoofd, Juda is mijn wetgever.

[10] Moab is mijn waskom, op Edom zal ik mijn schoen werpen, over Filistea zal ik juichen.

[11] Wie zal mij brengen in een versterkte stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

[12] Zult U het niet zijn, o God, Die ons verstoten had en niet met onze legers uittrok, o God?

[13] Geef ons hulp uit de benauwdheid, want heil van een mens is nutteloos.

[14] Met God zullen wij krachtige daden doen; Híj zal onze tegenstanders vertrappen.

Psalmen — Chapters