[1] Voor de koorleider, op ‘De Gittith’; een psalm, van de zonen van Korach.
[2] Hoe lieflijk zijn Uw woningen, HEERE van de legermachten.
[3] Mijn ziel verlangt, ja, bezwijkt zelfs van verlangen naar de voorhoven van deHEERE ; mijn hart en mijn lichaam roepen het uit tot de levende God.
[4] Zelfs vindt de mus een huis en de zwaluw haar nest, waarin zij haar jongen legt: bij Uw altaren, HEERE van de legermachten, mijn Koning en mijn God.
[5] Welzalig zijn zij die in Uw huis wonen, zij loven U voortdurend.Sela
[6] Welzalig de mens van wie de kracht in U is – in hun hart zijn de gebaande wegen.
[7] Gaan zij door het dal van de moerbeibomen, dan maken zij God tot hun bron; ook zal de regen hen overvloedig bedekken.
[8] Zij gaan voort van kracht tot kracht, zij zullen verschijnen voor God in Sion.
[9] HEERE , God van de legermachten, luister naar mijn gebed, neem het ter ore, o God van Jakob.Sela
[10] O God, ons schild, zie en aanschouw het aangezicht van Uw gezalfde.
[11] Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik verkoos liever te staan op de drempel van het huis van mijn God dan lang te wonen in de tenten van de goddeloosheid.
[12] Want God, deHEERE , is een zon en een schild, deHEERE zal genade en eer geven, Hij zal het goede niet onthouden aan hen die in oprechtheid hun weg gaan.
[13] HEERE van de legermachten, welzalig de mens die op U vertrouwt.