Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:41

[1] Waarom woeden de heidenvolken en bedenken de volken wat zonder inhoud is?

[2] De koningen van de aarde stellen zich op en de vorsten spannen samen tegen deHEERE en tegen Zijn Gezalfde:

[3] Laten wij Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen!

[4] Die in de hemel woont, zal lachen, de Heere zal hen bespotten.

[5] Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, in Zijn brandende toorn hun schrik aanjagen.

[6] Ik heb Mijn Koning toch gezalfd over Sion, Mijn heilige berg.

[7] Ik zal het besluit bekendmaken: DeHEERE heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Zoon, Ík heb U heden verwekt.

[8] Eis van Mij en Ik zal U de heidenvolken als Uw eigendom geven, de einden der aarde als Uw bezit.

[9] U zult hen verpletteren met een ijzeren scepter, U zult hen in stukken slaan als aardewerk.

[10] Nu dan, koningen, handel verstandig. Laat u onderwijzen, rechters van de aarde.

[11] Dien deHEERE met vreze, verheug u met huiver.

[12] Kus de Zoon, opdat Hij niet toornig wordt en u onderweg omkomt, wanneer Zijn toorn slechts even ontbrandt. Welzalig allen die tot Hem de toevlucht nemen!

Psalmen — Chapters