Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:15

[1] Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘Dood van de zoon'.

[2] Ik zal deHEERE loven met heel mijn hart, ik zal al Uw wonderen vertellen.

[3] In U zal ik mij verblijden en van vreugde opspringen, ik zal voor Uw Naam psalmen zingen, o Allerhoogste!

[4] Want mijn vijanden zijn teruggedeinsd, zij zijn gestruikeld en van voor Uw aangezicht omgekomen.

[5] Want U hebt mijn recht en mijn rechtszaak behartigd, U hebt Zich gezet op de troon, o rechtvaardige Rechter.

[6] U hebt de heidenvolken bestraft, de goddeloze omgebracht, hun naam uitgewist, voor eeuwig en altijd.

[7] O vijand, zijn de verwoestingen voor altijd voltooid? Hebt u steden weggerukt? Hun nagedachtenis is met hen vergaan!

[8] Maar deHEERE zetelt voor eeuwig, Hij heeft Zijn troon gereedgemaakt voor het gericht.

[9] Hij Zelf zal de wereld oordelen in gerechtigheid en over de volken op billijke wijze rechtspreken.

[10] DeHEERE is een veilige vesting voor de verdrukte, een veilige vesting in tijden van benauwdheid.

[11] Wie Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat U,HEERE , niet hebt verlaten wie U zoeken.

[12] Zing psalmen voor deHEERE , Die te Sion woont, verkondig onder de volken Zijn daden.

[13] Want Hij eist vergelding voor vergoten bloed, Hij denkt daaraan, Hij vergeet het hulpgeroep van de ellendigen niet.

[14] Wees mij genadig,HEERE , zie mijn ellende aan, mij aangedaan door wie mij haten, U Die mij opheft uit de poorten van de dood.

[15] Dan zal ik al Uw loffelijke daden vertellen in de poorten van de dochter van Sion, mij verheugen in Uw heil.

[16] De heidenvolken zonken in het graf dat zij maakten; hun voet raakte gevangen in het net dat zij heimelijk spanden.

[17] DeHEERE is bekend geworden, Hij heeft recht gedaan. De goddeloze raakt verstrikt in het werk van zijn eigen handen.qac Higgajon, Selaqac*

[18] De goddelozen keren terug, naar de hel toe, alle heidenvolken, die God vergeten.

[19] Want de arme wordt niet voor altijd vergeten, de hoop van de ellendigen vergaat niet voor eeuwig.

[20] Sta op,HEERE , laat de sterveling zich niet sterk maken; laat de heidenvolken voor Uw aangezicht geoordeeld worden.

[21] HEERE , jaag hun vrees aan; laat de heidenvolken weten dat zíj stervelingen zijn.Sela

Psalmen — Chapters