[1] Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
[2] Ik zeg tegen deHEERE : Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God, op Wie ik vertrouw!
[3] Want Híj zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest.
[4] Hij zal u beschutten met Zijn vlerken, onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen, Zijn trouw is een schild en een pantser.
[5] U zult niet vrezen voor het beangstigende van de nacht, voor de pijl die overdag aan komt vliegen,
[6] voor de pest, die in het donker rondgaat, voor het verderf dat midden op de dag verwoest.
[7] Al zullen er duizend vallen aan uw zijde en tienduizend aan uw rechterhand – bij u zal het onheil niet komen.
[8] Slechts met uw ogen zult u het aanschouwen, u zult de vergelding aan de goddelozen zien.
[9] Want U,HEERE , bent mijn toevlucht. De Allerhoogste hebt u tot uw woning gemaakt.
[10] Geen onheil zal u overkomen, geen plaag zal uw tent naderen.
[11] Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven dat zij u bewaren op al uw wegen.
[12] Zij zullen u op de handen dragen, zodat u uw voet aan geen steen stoot.
[13] Op de felle leeuw en de adder zult u trappen, u zult de jonge leeuw en de slang vertrappen.
[14] Omdat hij liefde voor Mij opgevat heeft, zegt God, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem in een veilige vesting zetten, want hij kent Mijn Naam.
[15] Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhoren, in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal hem eruit helpen en hem verheerlijken.
[16] Ik zal hem met lengte van dagen verzadigen, Ik zal hem Mijn heil doen zien.