[1] Een psalm, een lied voor de inwijding van Davids huis.
[2] Ik zal U roemen,HEERE , want U hebt mij opgetrokken en mijn vijanden over mij niet verblijd.
[3] HEERE , mijn God, ik heb tot U geroepen en U hebt mij genezen.
[4] HEERE , U hebt mijn ziel uit het graf opgehaald; U hebt mij in het leven behouden, zodat ik in de kuil niet ben neergedaald.
[5] Zing psalmen voor deHEERE , gunstelingen van Hem! Loof Hem ter gedachtenis aan Zijn heiligheid.
[6] Want een ogenblik duurt Zijn toorn, maar een leven lang Zijn goedgunstigheid; overnacht 's avonds het geween, 's morgens is er gejuich.
[7] Ík zei wel in mijn zorgeloze rust: Ik zal voor eeuwig niet wankelen.
[8] – Want,HEERE , door Uw goedgunstigheid had U mijn berg vast doen staan. – Maar toen U Uw aangezicht verborg, werd ik door schrik overmand.
[9] Tot U,HEERE , riep ik; ik smeekte de Heere:
[10] Wat voor winst is er in mijn bloed, in mijn neerdalen in het graf? Zal het stof U loven? Zal dat Uw trouw verkondigen?
[11] Luister,HEERE , en wees mij genadig; HEERE , wees mijn Helper.
[12] U hebt voor mij mijn rouwklacht veranderd in een reidans, U hebt mijn rouwgewaad losgemaakt en mij met blijdschap omgord.
[13] Daarom zal mijn eer voor U psalmen zingen en niet zwijgen. HEERE , mijn God, voor eeuwig zal ik U loven.