Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:01

[1] Niet ons,HEERE , niet ons, maar geef Uw Naam eer, om Uw goedertierenheid, om Uw trouw.

[2] Waarom zouden de heidenvolken zeggen: Waar is toch hun God?

[3] Onze God is immers in de hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

[4] Hun afgoden zijn zilver en goud, het werk van mensenhanden:

[5] zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

[6] zij hebben oren, maar horen niet; zij hebben een neus, maar ruiken niet;

[7] hun handen, die tasten niet; hun voeten, die gaan niet; er komt geen geluid uit hun keel.

[8] Laat wie ze maken hun gelijk worden, al wie op hen vertrouwt.

[9] Israël, vertrouw op deHEERE , Hij is hun hulp en hun schild.

[10] Huis van Aäron, vertrouw op deHEERE , Hij is hun hulp en hun schild.

[11] U die deHEERE vreest, vertrouw op deHEERE , Hij is hun hulp en hun schild.

[12] DeHEERE heeft aan ons gedacht: Hij zal zegenen, Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.

[13] Hij zal zegenen wie deHEERE vrezen, de kleinen met de groten.

[14] DeHEERE zal u meer en meer zegenen, u en uw kinderen.

[15] U bent gezegend door deHEERE , Die hemel en aarde gemaakt heeft.

[16] De hemel, de hemel is van deHEERE , maar de aarde heeft Hij aan de mensenkinderen gegeven.

[17] De doden zullen deHEERE niet prijzen, evenmin al wie in de stilte neergedaald zijn.

[18] Maar wíj zullen deHEERE loven, van nu aan tot in eeuwigheid. Halleluja!

Psalmen — Chapters