Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:01

[1] Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’.

[2] Spreekt u werkelijk recht, raad van rechters? Oordeelt u billijk, mensenkinderen?

[3] Veeleer bedrijft u onrecht in uw hart; uw handen wegen geweld af op de aarde.

[4] De goddelozen zijn van God vervreemd vanaf de baarmoeder; de leugenaars dwalen vanaf de moederschoot.

[5] Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif; zij zijn als een dove adder, die zijn oren dichtstopt,

[6] die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder, van hem die kundig bezweringen doet.

[7] O God, breek hun tanden in hun mond; breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk,HEERE .

[8] Laat hen smelten als water, laat hen wegdrijven; legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgebroken zijn.

[9] Laten zij vergaan als een smeltende slak; laat hen, als de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.

[10] Voordat uw kookpotten de doornstruik voelen, zal Hij hen als in brandende toorn levend wegvagen.

[11] De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.

[12] De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!

Psalmen — Chapters