[1] Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’.
[2] Spreekt u werkelijk recht, raad van rechters? Oordeelt u billijk, mensenkinderen?
[3] Veeleer bedrijft u onrecht in uw hart; uw handen wegen geweld af op de aarde.
[4] De goddelozen zijn van God vervreemd vanaf de baarmoeder; de leugenaars dwalen vanaf de moederschoot.
[5] Zij hebben vurig vergif, het lijkt op vurig slangengif; zij zijn als een dove adder, die zijn oren dichtstopt,
[6] die niet wil luisteren naar de stem van de bezweerder, van hem die kundig bezweringen doet.
[7] O God, breek hun tanden in hun mond; breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk,HEERE .
[8] Laat hen smelten als water, laat hen wegdrijven; legt hij zijn pijlen aan, laat ze zijn alsof ze afgebroken zijn.
[9] Laten zij vergaan als een smeltende slak; laat hen, als de misgeboorte van een vrouw, de zon niet zien.
[10] Voordat uw kookpotten de doornstruik voelen, zal Hij hen als in brandende toorn levend wegvagen.
[11] De rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wraak ziet; hij zal zijn voeten wassen in het bloed van de goddeloze.
[12] De mens zal zeggen: Ja, er is loon voor de rechtvaardige! Ja, er is een God Die op de aarde recht doet!