Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:22

[1] Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

[2] Wij hadden onze harpen gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn.

[3] Toen zij die ons gevangenhielden, daar woorden van een lied van ons verlangden, en wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap: Zing voor ons een van de liederen van Sion!

[4] zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van deHEERE zingen in een vreemd land?

[5] Als ik u vergeet, Jeruzalem, laat dan mijn rechterhand zichzelf vergeten.

[6] Laat mijn tong vastkleven aan mijn gehemelte, als ik niet aan u denk, als ik Jeruzalem niet doe uitstijgen boven mijn hoogste blijdschap.

[7] HEERE , denk aan de Edomieten, aan de dag dat Jeruzalem viel, toen zij zeiden: Haal neer, haal neer die stad, tot op haar fundament!

[8] Dochter van Babel, die verwoest zult worden, welzalig is hij die u uw misdaad vergelden zal, die u tegen ons begaan hebt.

[9] Welzalig is hij die uw kleine kinderen grijpen en tegen de rots verpletteren zal.

Psalmen — Chapters