Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:50

[1] Voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; een psalm van Asaf, een lied.

[2] Wij loven U, o God, wij loven U; Uw Naam is nabij; men vertelt Uw wonderen.

[3] Wanneer ik ontvangen heb wat voor mij bestemd is, zal ík billijk oordelen.

[4] Het land en al zijn bewoners smolten weg, maar ík heb zijn pilaren vastgezet.Sela

[5] Ik heb gezegd tegen de dwazen: Doe niet zo dwaas, en tegen de goddelozen: Hef uw hoorn niet op.

[6] Hef uw hoorn niet naar omhoog, spreek niet met hooghartig uitgestoken hals.

[7] Want niet uit het oosten of uit het westen of uit de woestijn komt het verhogen,

[8] maar God is Rechter: Hij vernedert de een en verhoogt de ander.

[9] Want in de hand van deHEERE is een beker. Daarin schuimt de wijn, overvloedig gekruid. Hij schenkt eruit; zelfs zijn droesem moeten alle goddelozen van de aarde tot op de bodem opdrinken.

[10] Maar ík zal het voor eeuwig verkondigen, ik zal voor de God van Jakob psalmen zingen.

[11] Ik zal alle hoorns van de goddelozen afhakken, de hoorns van de rechtvaardige worden omhooggeheven.

Psalmen — Chapters