Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:15

[1] Een onderwijzing van David, een gebed, toen hij in de grot was.

[2] Met mijn stem roep ik tot deHEERE , met mijn stem smeek ik deHEERE .

[3] Ik stort mijn klacht uit voor Zijn aangezicht, ik maak voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid bekend.

[4] Toen mijn geest in mij bezweek, kende Ú mijn pad. Zij hebben een strik voor mij verborgen op de weg die ik gaan zou.

[5] Ik keek aan mijn rechterhand en zie, er was niemand die naar mij omzag; voor mij was de mogelijkheid tot ontvluchten verloren, niemand zorgde voor mijn ziel.

[6] Tot U roep ik,HEERE . Ik zeg: U bent mijn toevlucht, mijn deel in het land der levenden.

[7] Sla acht op mijn roepen, want ik ben volkomen uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik.

[8] Leid mijn ziel uit de gevangenis om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, want U bent goed voor mij.

Psalmen — Chapters