Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:06

[1] Een psalm van David, voor de koorleider.

[2] HEERE , de koning verblijdt zich over Uw macht. Hoezeer is hij verheugd over Uw heil!

[3] De wens van zijn hart hebt U hem gegeven; het verzoek van zijn lippen hebt U hem niet onthouden.Sela

[4] Want U komt hem tegemoet met rijke zegeningen; op zijn hoofd zet U een kroon van zuiver goud.

[5] Leven heeft hij van U verlangd en U hebt het hem gegeven, lengte van dagen, eeuwig en altijd.

[6] Groot is zijn eer dankzij Uw heil, met majesteit en glorie hebt U hem bekleed.

[7] Want U stelt hem voor eeuwig tot grote zegen, U verheugt hem met blijdschap, met Uw aangezicht.

[8] Want de koning vertrouwt op deHEERE ; door de goedertierenheid van de Allerhoogste wankelt hij niet.

[9] Uw hand zal al Uw vijanden vinden, Uw rechterhand zal hen die U haten, vinden.

[10] U zult hen als een vurige oven maken, ten tijde dat U Uw aangezicht laat zien. DeHEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, het vuur zal hen verteren.

[11] U zult hun vrucht wegdoen van de aarde, hun nageslacht onder de mensenkinderen.

[12] Want zij hebben kwaad tegen U beraamd; zij hebben een listig plan bedacht, maar zijn tot niets in staat.

[13] Want U zult hen tot een doelwit maken, met Uw boog zult U op hun gezicht richten.

[14] Verhef U,HEERE , in Uw macht; dan zullen wij zingen en Uw macht met psalmen loven.

Psalmen — Chapters