Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:56

[1] Een onderwijzing van David, voor de koorleider, bij snarenspel.

[2] O God, neem mijn gebed ter ore, verberg U niet voor mijn smeken,

[3] sla acht op mij en verhoor mij. Ik zwerf rond in mijn klagen en kreun,

[4] vanwege het schreeuwen van de vijand, vanwege de goddeloze die angst aanjaagt. Want zij storten onrecht over mij uit, in toorn haten zij mij.

[5] Mijn hart beeft in mijn binnenste, dodelijke schrik heeft mij overvallen.

[6] Vrees en beven komen over mij, huiver bedekt mij.

[7] Daarom zeg ik: Och, gaf iemand mij vleugels als van een duif! Ik zou wegvliegen naar waar ik blijven kon.

[8] Zie, ik zou ver wegzwerven, ik zou overnachten in de woestijn.Sela

[9] Ik zou mij haasten zodat ik zou ontkomen aan de rukwind, aan de storm.

[10] Verslind hen, Heere, verwar hun taal, want ik zie geweld en onenigheid in de stad.

[11] Die omringen haar op haar muren, dag en nacht; onrecht en onheil zijn binnen in haar.

[12] Enkel verderf is binnen in haar; list en bedrog wijken niet van haar plein.

[13] Immers, het is geen vijand die mij hoont, anders zou ik het verdragen hebben; het is niet mijn hater die zich tegen mij verheft, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben.

[14] Maar u bent het, o sterveling, als mijn gelijke, mijn leidsman en mijn bekende.

[15] Wij die zeer aangenaam en vertrouwelijk met elkaar omgingen, wij wandelden in gezelschap van velen naar Gods huis!

[16] Laat de dood hen als een schuldeiser overvallen, laat hen levend in het graf neerdalen; want kwaad heerst in hun woning, in hun binnenste.

[17] Ik echter, ik zal tot God roepen en deHEERE zal mij verlossen.

[18] 's Avonds, en 's morgens, en 's middags zal ik klagen en kermen, en Hij zal mijn stem horen.

[19] Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van de strijd tegen mij, want met velen waren zij tegen mij.

[20] God zal horen en hen vernederen – Hij, Die van oudsher troont –Sela omdat bij hen geen enkele verandering is en zij God niet vrezen.

[21] Hij slaat zijn handen aan wie vrede met hem had, hij ontheiligt zijn verbond.

[22] Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart wil strijd; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar het zijn getrokken zwaarden.

[23] Werp uw zorg op deHEERE , en Híj zal u onderhouden; Hij zal voor eeuwig niet toelaten dat de rechtvaardige wankelt.

[24] Maar U, o God, U zult de mannen van bloed en bedrog doen neerdalen in de put van het verderf; zij zullen nog niet de helft van hun dagen bereiken. Ik echter vertrouw op U.

Psalmen — Chapters