Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:06

[1] Een psalm van David. HEERE , wie zal verblijven in Uw tent? Wie zal wonen op Uw heilige berg?

[2] Hij die oprecht wandelt en gerechtigheid beoefent, die met zijn hart de waarheid spreekt.

[3] Die met zijn tong niet lastert, zijn vrienden geen kwaad doet en geen smaad jegens zijn naaste op de lippen neemt.

[4] In zijn ogen is de verworpene veracht, maar wie deHEERE vrezen, eert hij. Heeft hij gezworen tot zijn schade, zijn eed verandert hij evenwel niet.

[5] Zijn geld leent hij niet uit tegen rente, een geschenk ten nadele van de onschuldige aanvaardt hij niet. Wie deze dingen doet, zal niet wankelen, voor eeuwig.

Psalmen — Chapters