Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:54

[1] Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was.

[2] O God, U bent mijn God! U zoek ik vroeg in de morgen; mijn ziel dorst naar U, mijn lichaam verlangt naar U in een land, dor en dorstig, zonder water.

[3] Zo heb ik U in het heiligdom aanschouwd, Uw macht en Uw heerlijkheid gezien.

[4] Uw goedertierenheid is immers beter dan het leven; daarom zullen mijn lippen U prijzen.

[5] Zo zal ik U loven in mijn leven, in Uw Naam zal ik mijn handen opheffen.

[6] Mijn ziel zal als met vet en overvloed verzadigd worden; mijn mond zal roemen met vrolijk zingende lippen.

[7] Wanneer ik aan U denk op mijn bed, over U peins in nachtwaken –

[8] voorzeker, U bent een Helper voor mij geweest; onder de schaduw van Uw vleugels zal ik vrolijk zingen.

[9] Mijn ziel klampt zich aan U vast, komt achter U aan, Uw rechterhand ondersteunt mij.

[10] Maar dezen, die mij naar het leven staan om dat te verwoesten, komen in de laagste plaatsen van de aarde.

[11] Men zal hen neer doen storten door het geweld van het zwaard, zij zullen de vossen ten deel zijn.

[12] Maar de koning zal zich in God verblijden; al wie bij Hem zweert, zal zich beroemen, want de mond van de leugenaars zal gestopt worden.

Psalmen — Chapters