[1] Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Duif op verre eiken’; toen de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.
[2] Wees mij genadig, o God, want de sterveling wil mij opslokken; de hele dag onderdrukt mij de bestrijder.
[3] Mijn belagers willen mij de hele dag opslokken, want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
[4] Op de dag dat ik vrees, vertrouw ík op U.
[5] In God prijs ik Zijn woord, op God vertrouw ik, ik vrees niet; wat zou een schepsel mij kunnen doen?
[6] De hele dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade.
[7] Zij scholen samen, zij verbergen zich; zij letten op mijn voetstappen, omdat zij loeren op mijn leven.
[8] Zouden zij bij zoveel onrecht vrijuit gaan? Stort de volken neer in toorn, o God!
[9] Ú hebt mijn omzwervingen geteld; doe mijn tranen in Uw kruik. Staan zij niet in Uw register?
[10] Dan zullen mijn vijanden terugdeinzen, op de dag dat ik roep. Dit weet ik: dat God met mij is.
[11] In God prijs ik het woord, in deHEERE prijs ik het woord.
[12] Ik vertrouw op God, ik vrees niet; wat zou de mens mij kunnen doen?
[13] O God, op mij rusten geloften, aan U gedaan; ik zal ze aan U met dankzegging nakomen.
[14] Want U hebt mijn ziel gered van de dood – hebt U niet mijn voeten voor struikelen behoed? – zodat ik voor Gods aangezicht zal wandelen in het licht van de levenden.