Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:15

[1] Een gouden kleinood van David, voor de koorleider, op ‘Richt niet te gronde’; toen hij voor Saul vluchtte in de grot.

[2] Wees mij genadig, o God, wees mij genadig, want mijn ziel heeft tot U de toevlucht genomen; ik neem mijn toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels, totdat de rampen voorbij zijn gegaan.

[3] Ik roep tot God, de Allerhoogste, tot God, Die Zijn werk aan mij voltooien zal.

[4] Hij zal hulp zenden uit de hemel en mij verlossen, Hij zal te schande maken wie mij wil opslokken.Sela God zal Zijn goedertierenheid en Zijn trouw zenden.

[5] Mijn ziel verkeert te midden van leeuwen, ik lig tussen mensen die verzengen als vuur, mensenkinderen van wie de tanden speren en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.

[6] Verhef U boven de hemel, o God; Uw eer zij over de hele aarde.

[7] Zij hebben een net gereedgemaakt voor mijn voeten, mijn ziel werd neergebogen; zij hebben een kuil voor mij gegraven, maar zij zijn er zelf middenin gevallen.Sela

[8] Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid; ik zal zingen, ik zal psalmen zingen.

[9] Ontwaak, mijn eer, ontwaak, luit en harp; ik zal de dageraad doen ontwaken.

[10] Ik zal U loven onder de volken, Heere; ik zal voor U psalmen zingen onder de natiën.

[11] Want Uw goedertierenheid is groot tot aan de hemel, Uw trouw tot de wolken.

[12] Verhef U boven de hemel, o God; Uw eer zij over de hele aarde.

Psalmen — Chapters