[1] Een psalm van Asaf. O God, heidenvolken zijn in Uw eigendom gekomen, zij hebben Uw heilige tempel verontreinigd, zij hebben Jeruzalem tot een puinhoop gemaakt.
[2] Zij hebben de dode lichamen van Uw dienaren aan de vogels in de lucht tot voedsel gegeven, het vlees van Uw gunstelingen aan de wilde dieren van het land.
[3] Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten en er was niemand die hen begroef.
[4] Wij zijn voor onze buren tot smaad geworden, tot spot en schimp voor wie ons omringen.
[5] Hoelang nog,HEERE ? Zult U voor altijd toornig zijn? Hoelang zal Uw na-ijver branden als vuur?
[6] Stort Uw grimmigheid uit over de heidenvolken, die U niet kennen; over de koninkrijken die Uw Naam niet aanroepen.
[7] Want men heeft Jakob verslonden, zij hebben zijn lieflijke woning verwoest.
[8] Denk niet aan onze vroegere misdaden, haast U, laat Uw barmhartigheid ons te hulp komen, want wij zijn volledig uitgeteerd.
[9] Help ons, o God van ons heil, omwille van de eer van Uw Naam; red ons en doe verzoening over onze zonden, omwille van Uw Naam.
[10] Waarom zouden de heidenvolken zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak voor het vergoten bloed van Uw dienaren bekend worden voor onze ogen onder de heidenvolken.
[11] Laat het gekerm van de gevangenen voor Uw aangezicht komen, laat wie ten dode zijn opgeschreven, overeenkomstig de grootheid van Uw arm het leven behouden.
[12] Vergeld onze buren zevenvoudig de smaad in hun boezem die zij U, Heere, aangedaan hebben.
[13] Dan zullen wíj, Uw volk en de schapen van Uw weide, U voor eeuwig loven; van generatie op generatie zullen wij van Uw roem vertellen.