[1] Een psalm van David, een lied, voor de koorleider.
[2] De lofzang is in stilte tot U, o God, in Sion; aan U zal de gelofte nagekomen worden.
[3] U hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.
[4] Ongerechtigheden hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen, die verzoent Ú.
[5] Welzalig is hij die U verkiest en doet naderen, die mag wonen in Uw voorhoven; wij worden verzadigd met het goede van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.
[6] Met ontzagwekkende daden antwoordt U ons in gerechtigheid, o God van ons heil, o vertrouwen van alle einden der aarde en van de verre zeeën,
[7] Die de bergen vast doet staan door Zijn kracht, Die omgord is met macht;
[8] Die het bruisen van de zeeën stilt, het bruisen van hun golven en het rumoer van de volken.
[9] Daarom vrezen de bewoners van de einden der aarde voor Uw tekenen; waar de morgen gloort en de avond daalt, doet U juichen.
[10] U zag om naar het land en gaf het overvloed, U maakt het zeer rijk; de beek van God is vol water; U geeft hun koren; ja, zó geeft U het:
[11] U doordrenkt zijn omgeploegde aarde, U doet water in zijn voren dalen, U doorweekt het met regendruppels, U zegent zijn gewas.
[12] U kroont het jaar van Uw goedheid, Uw voetstappen druipen van overvloed,
[13] zij bedruipen de weiden van de woestijn. De heuvels omgorden zich met vreugde.
[14] De velden zijn bekleed met kudden, de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.