Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:13

[1] Een psalm van David, voor de koorleider.

[2] Lang heb ik deHEERE verwacht, en Hij boog Zich naar mij toe en hoorde mijn hulpgeroep.

[3] Hij beurde mij op uit een kuil vol kolkend water, uit modderig slijk; Hij zette mijn voeten op een rots en maakte mijn schreden vast.

[4] Hij legde mij een nieuw lied in de mond, een lofzang voor onze God. Velen zullen het zien en vrezen, en op deHEERE vertrouwen.

[5] Welzalig de man die op deHEERE zijn vertrouwen stelt, en zich niet wendt tot wie hoogmoedig zijn of afdwalen naar leugen.

[6] HEERE , mijn God, veel zijn Uw wonderen, die Ú hebt gedaan, en Uw gedachten, die U over ons hebt. Men kan ze voor U niet uiteenzetten. Zou ik ze verkondigen en uitspreken, dan zijn ze zó machtig veel dat ik ze niet kan tellen.

[7] U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer, U hebt Mijn oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist.

[8] Toen zei Ik: Zie, Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven.

[9] Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.

[10] Ik breng de blijde boodschap van de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen belet ik niet. Ú,HEERE , weet het!

[11] Uw gerechtigheid verberg ik niet diep in mijn hart, Uw waarheid en Uw heil verkondig ik. Uw goedertierenheid en Uw trouw verzwijg ik niet in de grote gemeente.

[12] HEERE , Ú zult mij Uw barmhartigheid niet onthouden; laat Uw goedertierenheid en Uw trouw mij voortdurend beschermen.

[13] Want rampen, niet te tellen, hebben mij omvangen; mijn ongerechtigheden hebben mij getroffen, en ik heb ze niet kunnen overzien. Zij zijn machtig veel meer dan de haren van mijn hoofd, en mijn hart heeft mij verlaten.

[14] Laat het U behagen,HEERE , mij te redden; HEERE , kom mij spoedig te hulp.

[15] Laat tezamen beschaamd en rood van schaamte worden wie mij naar het leven staan om dat te vernielen; laat terugwijken en te schande worden wie vreugde vinden in mijn onheil.

[16] Laat als loon voor hun smaad verwoest worden wie tegen mij zeggen: Haha!

[17] Laat in U vrolijk en verblijd zijn allen die U zoeken; laat wie Uw heil liefhebben, voortdurend zeggen: DeHEERE is groot!

[18] Ík ben wel ellendig en arm, maar de Heere denkt aan mij. U bent mijn Helper en mijn Bevrijder; mijn God, wacht niet langer!

Psalmen — Chapters