Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:37

[1] Een psalm van David. Geloofd zij deHEERE , mijn rots, Die mijn handen leert om te strijden, mijn vingers om oorlog te voeren;

[2] mijn goedertierenheid en mijn burcht, mijn veilige vesting en mijn, ja, mijn Bevrijder, mijn schild, tot Wie ik de toevlucht heb genomen, Die mijn volk aan mij onderwerpt.

[3] HEERE , wat is de mens, dat U hem kent, de sterveling, dat U aan hem denkt?

[4] De mens lijkt op een zucht, zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

[5] Buig Uw hemel,HEERE , en daal neer, raak de bergen aan, zodat zij roken.

[6] Slinger Uw bliksem en verspreid hen, schiet Uw pijlen af en breng hen in verwarring.

[7] Steek Uw handen uit van omhoog, bevrijd mij en ontruk mij aan de grote wateren, uit de hand van vreemdelingen;

[8] want hun mond spreekt valse dingen, hun rechterhand is een hand vol bedrog.

[9] O God, ik zal een nieuw lied voor U zingen, met de luit en het tiensnarig instrument zal ik psalmen voor U zingen.

[10] U bent het Die koningen de overwinning geeft, Die Zijn dienaar David bevrijdt van het zwaard dat onheil brengt.

[11] Bevrijd mij en red mij van de hand van vreemdelingen, van wie de mond valse dingen spreekt, van wie de rechterhand een rechterhand vol bedrog is.

[12] Dan zullen onze zonen als planten zijn, hoog opgegroeid in hun jeugd; onze dochters als hoekstenen, uitgesneden naar het ontwerp van een paleis.

[13] Dan zijn onze schuren vol en leveren zij de ene voorraad na de andere; dan werpen onze kudden bij duizenden, ja, met tienduizenden nemen zij toe in onze velden.

[14] Dan zijn onze runderen zwaarbeladen, dan wordt er geen inval of uitval gedaan en is er geen gejammer op onze pleinen.

[15] Welzalig het volk dat het zo vergaat, welzalig het volk waarvan deHEERE zijn God is.

Psalmen — Chapters