Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:00

[1] Een psalm van David, voor de koorleider, bij fluitspel.

[2] HEERE , neem mijn woorden ter ore, let op mijn zuchten.

[3] Sla acht op mijn stem als ik roep, mijn Koning en mijn God, want tot U bid ik.

[4] 's Morgens hoort U mijn stem,HEERE ; 's morgens leg ik mijn gebed voor U neer en zie ik naar U uit.

[5] Want U bent geen God Die vreugde vindt in goddeloosheid, de kwaaddoener zal bij U niet verblijven.

[6] De dwazen blijven niet staande voor Uw ogen. U haat allen die onrecht bedrijven,

[7] U brengt de leugenaars om. Van de man van bloed en bedrog heeft deHEERE een afschuw.

[8] Ik echter zal door Uw grote goedertierenheid Uw huis binnengaan, mij buigen naar Uw heilig paleis in vreze voor U.

[9] HEERE , leid mij in Uw gerechtigheid, omwille van mijn belagers; maak Uw weg vóór mij recht.

[10] Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is, hun binnenste is enkel verderf, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.

[11] Verklaar hen schuldig, o God, laat hen ten val komen met hun opvattingen; verdrijf hen om hun vele overtredingen, want zij zijn U ongehoorzaam.

[12] Maar laat verblijd zijn allen die tot U de toevlucht nemen, laat hen voor eeuwig juichen omdat U hen beschut; laat in U van vreugde opspringen wie Uw Naam liefhebben.

[13] U immers zegent de rechtvaardige,HEERE ; U omringt hem met goedgunstigheid als met een schild.

Psalmen — Chapters