[1] Een psalm van David. DeHEERE is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? DeHEERE is mijn levenskracht, voor wie zou ik angst hebben?
[2] Toen kwaaddoeners op mij afkwamen, om mij levend te verslinden – mijn tegenstanders en mijn vijanden – struikelden zij zelf en vielen.
[3] Al belegerde mij een leger, mijn hart zou niet vrezen; al brak er een oorlog tegen mij uit, toch vertrouw ik hierop.
[4] Eén ding heb ik van deHEERE verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van deHEERE , al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van deHEERE te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel.
[5] Want Hij doet mij schuilen in Zijn hut op de dag van het onheil. Hij verbergt mij in het verborgene van Zijn tent, Hij plaatst mij hoog op een rots.
[6] Nu heft mijn hoofd zich omhoog boven mijn vijanden, die mij omringen. Ik zal in Zijn tent offers brengen onder geschal van trompetten; ik zal zingen, ja, ik zal psalmen zingen voor deHEERE .
[7] Hoor,HEERE , mijn stem als ik roep; wees mij genadig en antwoord mij.
[8] Mijn hart zegt tegen U wat U Zelf zegt: Zoek Mijn aangezicht. Ik zóek Uw aangezicht,HEERE ,
[9] verberg Uw aangezicht niet voor mij. Wijs Uw dienaar niet af in toorn, U bent mijn hulp geweest; laat mij niet in de steek en verlaat mij niet, o God van mijn heil.
[10] Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar deHEERE zal mij aannemen.
[11] HEERE , leer mij Uw weg, leid mij op een geëffend pad omwille van mijn belagers.
[12] Geef mij niet over aan de begeerte van mijn tegenstanders, want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan en mensen die briesen van geweld.
[13] Als ik toch niet had geloofd dat ik de goedheid van deHEERE zou zien in het land van de levenden, ik was vergaan.
[14] Wacht op deHEERE , wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken; ja, wacht op deHEERE .