Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:01

[1] Een pelgrimslied. Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd – zeg dat toch, Israël.

[2] Zij hebben mij dikwijls benauwd, vanaf mijn jeugd; toch hebben zij mij niet overwonnen.

[3] Ploegers hebben mijn rug geploegd, zij hebben hun voren lang gemaakt.

[4] DeHEERE , Die rechtvaardig is, heeft de touwen van de goddelozen afgehakt.

[5] Laat beschaamd worden en terugwijken allen die Sion haten.

[6] Laat hen worden als gras op de daken, dat verdort voordat men het uittrekt,

[7] waarmee de maaier zijn hand niet vult, of de schovenbinder zijn arm;

[8] en de voorbijgangers zeggen niet: De zegen van deHEERE zij met u, wij zegenen u in de Naam van deHEERE .

Psalmen — Chapters