Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:52

[1] Een psalm, voor de koorleider, van de zonen van Korach.

[2] U bent Uw land goedgezind geweest,HEERE , U bracht een omkeer in de gevangenschap van Jakob.

[3] De ongerechtigheid van Uw volk hebt U weggenomen, U hebt al hun zonden bedekt.Sela

[4] U hebt al Uw verbolgenheid weggenomen, U hebt Zich van Uw brandende toorn afgewend.

[5] Breng ons terug, o God van ons heil, doe Uw toorn over ons teniet.

[6] Zult U voor eeuwig toornig op ons zijn, Uw toorn laten duren van generatie op generatie?

[7] Zou Ú ons niet weer levend maken, zodat Uw volk zich in U verblijdt?

[8] Toon ons Uw goedertierenheid,HEERE , geef ons Uw heil.

[9] Ik zal horen, wat God, deHEERE , spreken zal, want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstelingen van vrede spreken; maar laten zij niet tot dwaasheid terugkeren.

[10] Ja, Zijn heil is nabij hen die Hem vrezen, zodat er eer in ons land woont.

[11] Goedertierenheid en trouw ontmoeten elkaar, gerechtigheid en vrede kussen elkaar.

[12] Trouw komt op uit de aarde, gerechtigheid ziet uit de hemel neer.

[13] Ook geeft deHEERE het goede, en geeft ons land zijn opbrengst.

[14] Gerechtigheid gaat voor Zijn aangezicht uit, Hij zet haar langs de weg waar Zijn voetstappen staan.

Psalmen — Chapters