Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:34

[1] Een psalm van David, voor de koorleider, over Jeduthun.

[2] Zeker, mijn ziel is stil voor God; van Hem is mijn heil.

[3] Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil, mijn veilige vesting; ik zal niet al te zeer wankelen.

[4] Hoelang bedenkt u nog kwaad tegen een man? U zult allen gedood worden; u zult zijn als een hellende wand, een instortende muur.

[5] Zeker, zij beraadslagen om hem van zijn hoogte af te stoten. Zij scheppen behagen in leugen; met hun mond zegenen zij, maar in hun binnenste vervloeken zij.Sela

[6] Zeker, mijn ziel, zwijg voor God, want van Hem is mijn verwachting.

[7] Zeker, Hij is mijn rots en mijn heil, mijn veilige vesting; ik zal niet wankelen.

[8] In God is mijn heil en mijn eer; mijn sterke rots, mijn toevlucht is in God.

[9] Vertrouw op Hem te allen tijde, volk; stort uw hart uit voor Zijn aangezicht. God is voor ons een toevlucht.Sela

[10] Zeker, eenvoudigen zijn een zucht, aanzienlijken een leugen; in de weegschaal gewogen, zijn zij tezamen lichter dan een zucht.

[11] Vertrouw niet op onderdrukking, stel geen ijdele hoop op roof. Als het vermogen toeneemt, zet er het hart niet op.

[12] God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de kracht van God is.

[13] Ook de goedertierenheid is van U, Heere, want U zult eenieder vergelden naar zijn werk.

Psalmen — Chapters