Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 7:42

[1] Een onderwijzing van Ethan, de Ezrahiet.

[2] Ik zal de blijken van goedertierenheid van deHEERE eeuwig bezingen, van generatie op generatie Uw trouw met mijn mond bekendmaken.

[3] Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal voor eeuwig gebouwd worden; Uw trouw hebt U vast doen staan in de hemel zelf.

[4] Ik heb – sprak U – een verbond gesloten met Mijn uitverkorene, Ik heb Mijn dienaar David gezworen:

[5] Ik zal uw nakomelingen tot in eeuwigheid stand doen houden, uw troon bouwen van generatie op generatie.Sela

[6] Daarom looft de hemel Uw wonderen,HEERE , ja, prijst men Uw trouw in de gemeente van de heiligen.

[7] Want wie kan in de hemel met deHEERE gemeten worden? Wie is deHEERE gelijk onder de machtige vorsten?

[8] God is zeer geducht in de raad van de heiligen en ontzagwekkend boven allen die Hem omringen.

[9] HEERE , God van de legermachten, wie is als U? Groot van macht bent U,HEERE ; Uw trouw omringt U.

[10] U heerst over de overmoed van de zee; wanneer haar golven zich verheffen, stilt Ú ze.

[11] Ú hebt Rahab als een dodelijk gewonde verbrijzeld, U hebt Uw vijanden verstrooid met Uw sterke arm.

[12] De hemel is van U, ja, de aarde is van U; de wereld en al wat ze bevat, die hebt Ú gegrondvest.

[13] Het noorden en het zuiden, die hebt Ú geschapen, Tabor en Hermon zingen vrolijk om Uw Naam.

[14] U hebt een arm met macht, Uw hand is sterk, Uw rechterhand verheven.

[15] Gerechtigheid en recht zijn het fundament van Uw troon, goedertierenheid en trouw gaan voor Uw aangezicht uit.

[16] Welzalig het volk dat de klank van de bazuin kent, zij wandelen,HEERE , in het licht van Uw aangezicht.

[17] Zij verheugen zich de hele dag in Uw Naam en worden door Uw gerechtigheid verheven.

[18] Want U bent het sieraad van hun kracht; door Uw welbehagen zal onze hoorn opgeheven worden.

[19] Want ons schild is van deHEERE , onze koning van de Heilige van Israël.

[20] Eens hebt U in een visioen gesproken over Uw heilige, en gezegd: Ik heb een held van hulp voorzien, Ik heb een verkorene uit het volk verheven.

[21] Ik heb David, Mijn dienaar, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd.

[22] Mijn hand zal hem doen standhouden, ja, Mijn arm zal hem sterk maken.

[23] Geen vijand zal hem overweldigen, geen onrechtvaardige zal hem onderdrukken.

[24] Maar Ik zal zijn tegenstanders verpletteren voor zijn ogen, wie hem haten, zal Ik treffen.

[25] Mijn trouw en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn, zijn hoorn zal in Mijn Naam opgeheven worden.

[26] Ik zal zijn hand op de zee leggen, zijn rechterhand op de rivieren.

[27] Híj zal tot Mij roepen: U bent mijn Vader, mijn God en de rots van mijn heil.

[28] Ja, Ík zal hem tot een eerstgeboren zoon maken, tot de allerhoogste van de koningen van de aarde.

[29] Ik zal Mijn goedertierenheid tegenover hem voor eeuwig houden, aan Mijn verbond met hem trouw blijven.

[30] Ik zal zijn nageslacht voor eeuwig laten bestaan en zijn troon als de dagen van de hemel.

[31] Als zijn kinderen Mijn wet verlaten en in Mijn bepalingen niet gaan,

[32] als zij Mijn verordeningen ontheiligen en Mijn geboden niet in acht nemen,

[33] dan zal Ik hun overtreding met de roede straffen en hun ongerechtigheid met slagen.

[34] Maar Mijn goedertierenheid zal Ik bij hem niet wegnemen en in Mijn trouw niet falen.

[35] Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen en wat over Mijn lippen gekomen is, niet veranderen.

[36] Eens heb Ik gezworen bij Mijn heiligheid: Nooit zal Ik tegen David liegen!

[37] Zijn nageslacht zal voor eeuwig blijven, zijn troon zal vóór Mij zijn, vast als de zon.

[38] Hij zal voor eeuwig standhouden, zoals de maan; de getuige hoog aan de hemel is trouw.Sela

[39] Maar Ú hebt hem verstoten en verworpen, U bent verbolgen geworden op Uw gezalfde.

[40] U hebt het verbond met Uw dienaar tenietgedaan, U hebt zijn diadeem ontheiligd en op de aarde geworpen.

[41] U hebt een bres geslagen in al zijn muren, U hebt zijn vestingen in puin gelegd.

[42] Alle voorbijgangers op de weg hebben hem beroofd; zijn buren is hij tot smaad geworden.

[43] U hebt de rechterhand van zijn tegenstanders verheven, U hebt al zijn vijanden verblijd.

[44] Ja, U hebt de scherpte van zijn zwaard gekeerd, U hebt hem in de strijd geen stand doen houden.

[45] U hebt zijn luister doen ophouden, U hebt zijn troon op de aarde neergestoten.

[46] U hebt de dagen van zijn jeugd verkort, U hebt hem met schaamte bedekt.Sela

[47] Hoelang nog,HEERE ? Zult U Zich voor altijd verbergen? Hoelang zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

[48] Bedenk hoe kort mijn levensduur is. Waarom zou U alle mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

[49] Welke man leeft er die de dood niet zien zal, die zijn ziel bevrijden zal uit de greep van het graf?Sela

[50] Heere, waar zijn Uw vroegere blijken van goedertierenheid? U hebt ze David gezworen bij Uw trouw.

[51] Denk, Heere, aan de smaad van Uw dienaren; de hoon van alle grote volken, die ik in mijn binnenste meedraag.

[52] Daarmee smaden Uw vijanden,HEERE , daarmee smaden zij de voetstappen van Uw gezalfde.

[53] DeHEERE zij voor eeuwig geloofd. Amen, ja, amen.

Psalmen — Chapters