Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:08

[1] Ik heb deHEERE lief, want Hij hoort mijn stem, mijn smeekbeden.

[2] Want Hij neigt Zijn oor tot mij, daarom zal ik Hem al mijn dagen aanroepen.

[3] Banden van de dood hadden mij omvangen, angsten van het graf hadden mij getroffen, ik ondervond benauwdheid en verdriet.

[4] Maar ik riep de Naam van deHEERE aan: OchHEERE , bevrijd mijn ziel!

[5] DeHEERE is genadig en rechtvaardig, onze God is een Ontfermer.

[6] DeHEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, maar Hij heeft mij verlost.

[7] Mijn ziel, keer terug tot uw rust, want deHEERE is goed voor u geweest.

[8] Ja, U,HEERE , hebt mijn ziel immers gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van struikelen.

[9] Ik zal wandelen voor het aangezicht van deHEERE in de landen der levenden.

[10] Ik heb geloofd, daarom spreek ik. Ík ben zeer verdrukt geweest.

[11] Ík zei, in mijn haast: Alle mensen zijn leugenaars.

[12] Wat zal ik deHEERE vergelden voor al Zijn weldaden, die Hij mij bewees?

[13] Ik zal de beker van het heil heffen en de Naam van deHEERE aanroepen.

[14] Mijn geloften zal ik aan deHEERE nakomen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.

[15] Kostbaar is in de ogen van deHEERE de dood van Zijn gunstelingen.

[16] OchHEERE , voorzeker, ik ben Uw dienaar, ik ben Uw dienaar, een zoon van Uw dienares; U hebt mijn boeien losgemaakt.

[17] Ik zal U een offer van dankzegging brengen en de Naam van deHEERE aanroepen.

[18] Mijn geloften zal ik aan deHEERE nakomen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk,

[19] in de voorhoven van het huis van deHEERE , in uw midden, Jeruzalem. Halleluja!

Psalmen — Chapters