Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 5:36

[1] Loof deHEERE , want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.

[2] Laten zo spreken wie deHEERE verlost heeft, die Hij verlost heeft uit de hand van de tegenstanders,

[3] en die Hij uit de landen bijeengebracht heeft, van het oosten en van het westen, van het noorden en van de zee.

[4] Er waren er die dwaalden in de woestijn, op een weg door de wildernis, een stad om te wonen vonden zij niet.

[5] Zij waren hongerig, ja, ook dorstig, hun ziel was in hen bezweken.

[6] Maar toen zij in hun benauwdheid tot deHEERE riepen, redde Hij hen uit hun angsten.

[7] Hij leidde hen op een rechte weg, zodat zij naar een stad konden gaan om te wonen.

[8] Laten zij deHEERE loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

[9] Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd en de hongerige ziel met het goede vervuld.

[10] Er waren er die in duisternis en in de schaduw van de dood zaten, gevangen in ellende en ijzer.

[11] Want zij waren ongehoorzaam geweest aan de woorden van God en hadden de raad van de Allerhoogste verworpen.

[12] Daarom vernederde Hij hun hart door moeite, zij struikelden en er was geen helper.

[13] Maar toen zij in hun benauwdheid tot deHEERE riepen, verloste Hij hen uit hun angsten.

[14] Hij leidde hen uit de duisternis en de schaduw van de dood en verscheurde hun banden.

[15] Laten zij deHEERE loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

[16] Want Hij heeft de bronzen deuren opengebroken en de ijzeren grendels stukgebroken.

[17] Er waren dwazen die om hun weg vol overtreding en om hun ongerechtigheden gekweld werden.

[18] Hun ziel had een afschuw van al het voedsel, zij waren tot aan de poorten van de dood gekomen.

[19] Maar toen zij in hun benauwdheid tot deHEERE riepen, verloste Hij hen uit hun angsten.

[20] Hij zond Zijn woord uit, genas hen en bevrijdde hen uit hun grafkuilen.

[21] Laten zij deHEERE loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

[22] Laten zij lofoffers brengen en met gejuich van Zijn werken vertellen.

[23] Er zijn er die met schepen op zee varen en handeldrijven op de grote wateren.

[24] Zíj zien de werken van deHEERE en Zijn wonderen in de diepte.

[25] Wanneer Hij spreekt, doet Hij een stormwind opsteken, die haar golven hoog opheft.

[26] Ze rijzen op naar de hemel, ze dalen neer in de diepe wateren; hun ziel smelt weg van ellende.

[27] Zij wankelen en waggelen als een dronken man, al hun wijsheid wordt verslonden.

[28] Maar toen zij in hun benauwdheid tot deHEERE riepen, leidde Hij hen uit hun angsten.

[29] Hij brengt de storm tot stilte, zodat hun golven zwijgen.

[30] Dan zijn zij verblijd, omdat de wateren gestild zijn en Hij hen naar de haven van hun wens leidde.

[31] Laten zij deHEERE loven om Zijn goedertierenheid en om Zijn wonderen voor de mensenkinderen.

[32] Laten zij Hem roemen in de bijeenkomst van het volk en op de zetels van de oudsten Hem loven.

[33] Hij maakt rivieren tot een woestijn, waterbronnen tot dorstig land,

[34] vruchtbaar land tot een zoutvlakte, vanwege de slechtheid van zijn bewoners.

[35] Hij maakt de woestijn tot een waterpoel, het dorre land tot waterbronnen.

[36] Daar doet Hij de hongerigen verblijven, zij stichten een stad om te wonen.

[37] Zij zaaien akkers in en planten wijngaarden, die een rijke oogst aan vruchten opbrengen.

[38] Hij zegent hen, zodat zij zeer talrijk worden, hun vee vermindert Hij niet.

[39] Daarna verminderen zij wel en gaan zij gebukt onder verdrukking, onheil en verdriet.

[40] Hij stort verachting uit over de edelen en doet hen dwalen in een woestenij, waar geen weg is.

[41] Maar de arme zet Hij uit de ellende in een veilige vesting, Hij maakt de gezinnen talrijk als kudden.

[42] De oprechten zien het en zijn verblijd, maar alle ongerechtigheid sluit haar mond.

[43] Wie is wijs? Laat hij op deze dingen letten, en de goedertierenheid van deHEERE aandachtig opnemen.

Psalmen — Chapters