Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:26

[1] Een psalm van Asaf. De God der goden, deHEERE , spreekt, en roept de aarde, vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat.

[2] Uit Sion, de volmaakte schoonheid, verschijnt God blinkend.

[3] Onze God komt en zal niet zwijgen; voor Zijn aangezicht verteert een vuur, rondom Hem stormt het geweldig.

[4] Hij roept tot de hemel daarboven en tot de aarde, om over Zijn volk recht te spreken:

[5] Verzamel Mij Mijn gunstelingen, die een verbond met Mij sluiten door offers.

[6] De hemel verkondigt Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter.Sela

[7] Luister, Mijn volk, en Ik zal spreken, Israël, Ik zal onder u getuigen: Ik, God, ben uw God.

[8] Niet om uw offers zal Ik u straffen, want uw brandoffers houd Ik voortdurend voor ogen.

[9] Toch hoef Ik uit uw huis geen jonge stier te nemen of bokken uit uw kooien,

[10] want al de wilde dieren in het woud zijn van Mij, de dieren op duizend bergen.

[11] Ik ken alle vogels van de bergen, het wild van het veld is bij Mij.

[12] Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen; want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.

[13] Zou Ik stierenvlees eten of bokkenbloed drinken?

[14] Offer dank aan God en kom aan de Allerhoogste uw geloften na.

[15] Roep Mij aan in de dag van benauwdheid; Ik zal u eruit helpen en u zult Mij eren.

[16] Maar tegen de goddeloze zegt God: Hoe durft u over Mijn verordeningen te vertellen en Mijn verbond in uw mond te nemen?

[17] Want ú haat de vermaning en werpt Mijn woorden achter u weg.

[18] Ziet u een dief, dan loopt u met hem mee; en uw deel is met overspelers.

[19] Uw mond gebruikt u voor het kwaad, uw tong smeedt bedrog aan bedrog.

[20] U zit daar en spreekt kwaad tegen uw broeder, u werpt een smet op de zoon van uw moeder.

[21] Zulke dingen doet u en Ik zwijg; u denkt dat Ik net zo ben als u. Ik zal u straffen en uw zonden voor uw ogen uitstallen.

[22] Begrijp dit toch, u die God vergeet; anders verscheur Ik, en er is niemand die redt.

[23] Wie dank offert, zal Mij eren; wie de rechte weg gaat, zal Ik Gods heil doen zien.

Psalmen — Chapters