Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:01

[1] Een onderwijzing van David. Welzalig is hij van wie de overtreding vergeven, van wie de zonde bedekt is.

[2] Welzalig de mens wie deHEERE de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

[3] Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg, onder mijn jammerklachten, de hele dag.

[4] Want dag en nacht drukte Uw hand zwaar op mij, mijn levensvocht veranderde in een zomerse droogte.Sela

[5] Mijn zonde maakte ik U bekend, mijn ongerechtigheid bedekte ik niet. Ik zei: Ik zal mijn overtredingen belijden voor deHEERE . En Ú vergaf mijn ongerechtigheid, mijn zonde.Sela

[6] Daarom zal iedere heilige tot U bidden ten tijde dat U Zich laat vinden. Voorzeker, een overstroming van machtige wateren zal hem niet bereiken.

[7] U bent mijn schuilplaats, U beschermt mij voor benauwdheid, U omringt mij met vrolijke gezangen van bevrijding.Sela

[8] Ik onderwijs u en leer u de weg die u moet gaan; ik geef raad, mijn oog is op u.

[9] Wees niet als een paard, als een muildier, dat geen verstand heeft. Zijn bek houdt men in toom met bit en toom; dan kan hij u niet te na komen.

[10] De goddeloze heeft veel smarten, maar wie op deHEERE vertrouwt, hem zal de goedertierenheid omringen.

[11] Verblijd u in deHEERE en verheug u, rechtvaardigen, zing vrolijk, alle oprechten van hart!

Psalmen — Chapters