Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:30

[1] Een gebed van David. HEERE , neig Uw oor, verhoor mij, want ik ben ellendig en arm.

[2] Bewaar mijn ziel, want ik ben Uw gunsteling; U, mijn God, verlos Uw dienaar, die op U vertrouwt.

[3] Wees mij genadig, Heere, want ik roep tot U de hele dag.

[4] Verblijd de ziel van Uw dienaar, want tot U, Heere, hef ik mijn ziel op.

[5] U, Heere, bent immers goed, mild om te vergeven en rijk aan goedertierenheid voor allen die U aanroepen.

[6] HEERE , neem mijn gebed ter ore, sla acht op mijn luide smeekbeden.

[7] In de dag van mijn benauwdheid roep ik U aan, want U verhoort mij.

[8] Onder de goden is niemand U gelijk, Heere; werken als de Uwe zijn er niet.

[9] Al de heidenvolken, die U gemaakt hebt, Heere, zullen komen, zich voor Uw aangezicht neerbuigen en Uw Naam eren.

[10] Want U bent groot en doet wonderen, U bent God, U alleen.

[11] Leer mij,HEERE , Uw weg, ik zal in Uw waarheid wandelen, maak mijn hart één om Uw Naam te vrezen.

[12] Heere, mijn God, ik zal U loven met heel mijn hart, ik zal Uw Naam voor eeuwig eren.

[13] Want Uw goedertierenheid is groot over mij, U hebt mijn ziel aan het diepst van het graf ontrukt.

[14] O God, hoogmoedigen staan tegen mij op, een horde geweldplegers staat mij naar het leven, zij houden U niet voor ogen.

[15] Maar U, Heere, bent een barmhartig en genadig God, geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw.

[16] Wend U tot mij en wees mij genadig, geef Uw dienaar Uw kracht, verlos de zoon van Uw dienares.

[17] Doe aan mij een teken ten goede; zodat wie mij haten het zien en beschaamd worden, wanneer Ú,HEERE , mij geholpen en getroost hebt.

Psalmen — Chapters