Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:40

[1] Een psalm van David. Ik zal zingen van goedertierenheid en recht, voor U zal ik psalmen zingen,HEERE .

[2] Ik zal verstandig handelen, op de volmaakte weg. Wanneer zult U tot mij komen? Ik zal binnen mijn huis wandelen met een oprecht hart.

[3] Ik zal mij geen verdorven praktijken voor ogen stellen. Ik haat wat de afvalligen doen, hun daden zullen zich niet aan mij hechten.

[4] Het slinkse hart zal ver van mij weggaan, de kwaaddoener zal ik niet kennen.

[5] Wie zijn naaste in het geheim lastert, hem zal ik ombrengen. Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart, hem zal ik niet verdragen.

[6] Mijn ogen zijn gericht op de trouwe mensen in het land, opdat zij bij mij zullen zitten. Wie op de volmaakte weg gaat, die zal mij dienen.

[7] Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet verblijven. Wie leugens spreekt, zal voor mijn ogen geen stand houden.

[8] Elke morgen zal ik alle goddelozen in het land ombrengen, door allen die onrecht bedrijven, uit de stad van deHEERE uit te roeien.

Psalmen — Chapters