Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:04

[1] Een psalm van David, voor de koorleider.

[2] Red mij,HEERE , van slechte mensen. Bescherm mij tegen de mannen van geweld,

[3] die veel kwaad in hun hart bedenken, elke dag samenscholen om te strijden.

[4] Zij scherpen hun tong als een slang, addervergif is onder hun lippen.Sela

[5] Bewaar mij,HEERE , voor de handen van de goddeloze. Bescherm mij tegen mannen van geweld, die mijn voeten denken weg te stoten.

[6] De hoogmoedigen verborgen een strik voor mij en touwen. Zij spanden een net langs de weg, valstrikken zetten zij voor mij.Sela

[7] Ik heb tegen deHEERE gezegd: U bent mijn God, neem,HEERE , mijn luide smeekbeden ter ore.

[8] HEERE Heere, kracht van mijn heil, U hebt mijn hoofd beschut op de dag van de strijd.

[9] HEERE , vervul de wensen van de goddeloze niet, laat zijn boze plannen niet lukken; zij zouden zich trots verheffen.Sela

[10] Het hoofd van wie mij omringen – laat het kwaad van zijn lippen hemzelf bedekken.

[11] Vurige kolen moeten over hen uitgestort worden. O God, doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, zodat zij niet meer opstaan.

[12] Een man met een boze tong houdt op de aarde geen stand, een man van geweld – laat onheil hem vangen, totdat hij helemaal verdreven is.

[13] Ik weet dat deHEERE de rechtszaak van de ellendige en het recht van de armen zal behartigen.

[14] Voorzeker, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven, de oprechten zullen voor Uw aangezicht wonen.

Psalmen — Chapters