Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 1:08

[1] Een pelgrimslied. Toen deHEERE de gevangenen van Sion terug deed keren, waren wij als mensen die droomden.

[2] Toen werd onze mond vervuld met lachen en onze tong met gejuich. Toen zei men onder de heidenvolken: DeHEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!

[3] DeHEERE heeft grote dingen bij ons gedaan, daarom zijn wij verblijd.

[4] HEERE , breng een omkeer in onze gevangenschap, zoals waterstromen in het zuiden.

[5] Wie met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

[6] Wie het zaad draagt en dat zaait, gaat al wenend zijn weg; maar hij zal zeker terugkomen met gejuich, en zijn schoven dragen.

Psalmen — Chapters