Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 2:31

[1] Een gouden kleinood van David, ter onderwijzing, voor de koorleider, op ‘De lelie van de getuigenis’;

[2] toen hij gevochten had met de Syriërs van Mesopotamië en met de Syriërs van Zoba, en Joab terugkwam en de Edomieten versloeg in het Zoutdal: twaalfduizend man.

[3] O God, U had ons verstoten, U had ons verbroken, U bent toornig geweest; keer terug tot ons.

[4] U hebt het land doen beven, U hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt.

[5] U hebt Uw volk een harde zaak doen zien, U hebt ons bedwelmende wijn laten drinken.

[6] Maar nu hebt U een banier gegeven aan wie U vrezen, om die op te heffen als teken van de waarheid,Sela

[7] opdat Uw beminden gered worden. Verlos door Uw rechterhand en antwoord ons.

[8] God heeft gesproken in Zijn heiligdom, daarom zal ik van vreugde opspringen; ik zal Sichem verdelen, het dal van Sukkoth zal ik opmeten.

[9] Gilead is van mij, Manasse is van mij, Efraïm de bescherming voor mijn hoofd, Juda is mijn wetgever.

[10] Moab is mijn waskom, op Edom zal ik mijn schoen werpen. Juich over mij, Filistea!

[11] Wie zal mij brengen in een versterkte stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

[12] Zult U het niet zijn, o God, Die ons verstoten had en niet met onze legers uittrok, o God?

[13] Geef ons hulp uit de benauwdheid, want heil van een mens te verwachten is nutteloos.

[14] Met God zullen wij krachtige daden doen; Híj zal onze tegenstanders vertrappen.

Psalmen — Chapters