Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:03

[1] Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei:

[2] Hoelang zul je deze dingen blijven zeggen, en zullen de woorden van je mond een geweldige stormwind zijn?

[3] Zou God het recht verdraaien? Zou de Almachtige de gerechtigheid verdraaien?

[4] Als je kinderen tegen Hem gezondigd hebben, heeft Hij hen laten gaan in de macht van hun eigen overtreding.

[5] Maar als je ernstig God zoekt, en de Almachtige om genade smeekt,

[6] als je zuiver en oprecht bent, dan zal Hij nu voorzeker ter wille van jou ontwaken, en de woning van je gerechtigheid herstellen.

[7] Je begin zal wel klein zijn, maar je einde zal zeer groot worden.

[8] Want doe toch navraag bij de vorige generatie, bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen.

[9] Immers, wij zijn van gisteren en weten niets, want onze dagen op aarde zijn een schaduw.

[10] Zullen die je niet onderwijzen, tot je spreken, en uit hun hart woorden voortbrengen?

[11] Groeien biezen waar geen moeras is? Groeit rietgras op zonder water?

[12] Als het nog in zijn knop is, ook al wordt het niet afgeplukt, toch verdort het vóór al het andere gras.

[13] Zo zijn de paden van allen die God vergeten; de hoop van de huichelaar vergaat.

[14] Dat waar hij zijn hoop op stelde, zal van hem walgen; zijn vertrouwen zal spinrag blijken te zijn.

[15] Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet blijven staan; hij zal het vastgrijpen, maar het zal niet staande blijven.

[16] Weliswaar is hij een saprijke plant in de zon, en zijn jonge loten spreiden zich uit over zijn tuin,

[17] zijn wortels vlechten zich over een steenhoop; hij kijkt uit naar een steenachtige plaats.

[18] Maar als men hem wegrukt uit zijn plaats, zal deze hem verloochenen en zeggen: Ik heb u nooit gezien.

[19] Zie, dat is de vreugde van zijn weg; en uit het stof zullen anderen voortkomen.

[20] Zie, God zal de oprechte niet verwerpen, en Hij grijpt kwaaddoeners niet bij de hand.

[21] Eens zal Hij je mond weer met lachen vervullen, en je lippen met gejuich.

[22] Wie je haten, zullen met schaamte bekleed worden, en de tent van de goddelozen zal er niet meer zijn.

Job — Chapters