[1] Maar Job antwoordde en zei:
[2] Ook vandaag is mijn klacht opstandigheid, mijn hand drukt zwaar op mijn zuchten.
[3] Och, wist ik maar dat ik Hem zou vinden, dan zou ik naar Zijn woonplaats toe komen.
[4] Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten, en ik zou mijn mond vullen met mijn verdediging.
[5] Ik zou de woorden weten die Hij mij zou antwoorden; en ik zou begrijpen wat Hij tegen mij zou zeggen.
[6] Zou Hij een rechtszaak tegen mij voeren met de grootheid van Zijn kracht? Nee, maar Híj zou acht op mij slaan.
[7] Daar zou een oprechte zich tegenover Hem verdedigen; en ik zou voor altijd vrij zijn van mijn Rechter.
[8] Maar zie, ga ik naar voren, dan is Hij er niet, of naar achteren, dan merk ik Hem niet op.
[9] Als Hij aan de linkerkant werkt, aanschouw ik Hem niet; keert Hij Zich naar de rechterkant, dan zie ik Hem niet.
[10] Maar Hij kent de weg die ik ga. Laat Hij mij beproeven – ik zal er als goud uitkomen.
[11] Mijn voet heeft zich aan Zijn spoor gehouden; aan Zijn weg heb ik mij gehouden, ik ben er niet van afgeweken.
[12] Het gebod van Zijn lippen heb ik niet weggedaan; de woorden van Zijn mond heb ik verborgen, meer dan het mij toegewezen deel.
[13] Maar als Hij tegen iemand is, wie zal Hem er dan van afbrengen? Wat Zijn ziel verlangt, dat zal Hij doen.
[14] Want Hij zal het mij toegewezen deel ten uitvoer brengen; dergelijke dingen zijn er veel bij Hem.
[15] Daarom word ik voor Zijn aangezicht door schrik overmand; ik merk het op, en ben beangst voor Hem.
[16] Want God heeft mijn hart week gemaakt, de Almachtige heeft mij schrik aangejaagd.
[17] Want niet door de duisternis ben ik omgebracht, en niet door de donkerheid die mij bedekt.