Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:35

[1] Job antwoordde echter en zei:

[2] Werkelijk waar, jullie zijn het volk met wie de wijsheid zal sterven!

[3] Ik heb ook een hart net als jullie, ik zwicht niet voor jullie; wie weet zulke dingen niet?

[4] Ik ben iemand, belachelijk voor zijn vriend, maar roepend tot God, Die hem verhoren zal; de rechtvaardige en oprechte wordt belachelijk gemaakt.

[5] Wie verdrukt wordt, verdient verachting, is de gedachte van de zorgeloze; hij staat op het punt met zijn voet te struikelen.

[6] De tenten van de verwoesters hebben rust; wie God tergen, zijn volkomen veilig door wat God met Zijn hand toebedeelt.

[7] Maar vraag toch de dieren, en zij zullen je onderwijzen, de vogels in de lucht, en zij zullen het je bekendmaken.

[8] Of spreek tot de aarde, en zij zal je onderwijzen, de vissen in de zee zullen het je vertellen.

[9] Wie weet van al deze dingen niet, dat de hand van deHEERE dit doet?

[10] In Zijn hand is de ziel van alles wat leeft, en de geest van al het menselijk vlees.

[11] Beproeft het oor de woorden niet, zoals het gehemelte voedsel proeft?

[12] Is bij de oudsten de wijsheid, en bij de lengte van dagen het inzicht?

[13] Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en inzicht.

[14] Zie, Hij breekt af, en het wordt niet herbouwd; Hij sluit iemand op, en er wordt niet opengedaan.

[15] Zie, Hij houdt de wateren tegen, en zij vallen droog; Hij laat ze gaan, en zij keren de aarde om.

[16] Bij Hem is kracht en wijsheid; van Hem is degene die dwaalt, en degene die doet dwalen.

[17] Hij voert raadsheren berooid weg, en rechters maakt Hij waanzinnig.

[18] De vermaning van koningen maakt Hij ongedaan, en Hij bindt een gordel om hun middel.

[19] Hij voert priesters berooid weg, en machthebbers stort Hij in het verderf.

[20] Hij snoert betrouwbare mensen de mond, en het inzicht van oude mensen neemt Hij weg.

[21] Hij giet verachting uit over edelen, en de gordel van machtigen maakt Hij los.

[22] Hij openbaart het diepste van de duisternis, en de schaduw van de dood brengt Hij in het licht.

[23] Hij maakt volken groot, en doet ze ondergaan; Hij spreidt volken uit, en leidt ze.

[24] Hij neemt het hart van de hoofden van een volk op aarde weg, en doet hen ronddwalen in een woestenij, waar geen weg is.

[25] Zij tasten rond in de duisternis, waar geen licht is; Hij doet hen ronddwalen als een dronkaard.

Job — Chapters