Skip to content
Opens in a new window
Listen to this chapter • 3:39

[1] Toen antwoordde Elifaz, de Temaniet, en zei:

[2] Zou een man God tot nut zijn? Maar voor zichzelf zal de verstandige tot nut zijn.

[3] Is het een vreugde voor de Almachtige dat jij rechtvaardig bent; of winst dat jij je wegen vervolmaakt?

[4] Is het omdat je godvrezend bent dat Hij je bestraft, dat Hij met je in het gericht komt?

[5] Is je slechtheid niet groot, en zijn je ongerechtigheden niet eindeloos?

[6] Want je hebt zonder reden van je broeders een onderpand genomen, en je hebt de kleding van naakten uitgetrokken.

[7] Aan de vermoeide gaf je geen water te drinken, en je hebt de hongerige brood onthouden.

[8] Maar was er een man met macht, voor hem was het land, en een aanzienlijk persoon woonde er.

[9] Weduwen heb je met lege handen weggestuurd, en de armen van de wezen werden verbrijzeld.

[10] Dáárom zijn er strikken rondom je, en word je plotseling door schrik overmand.

[11] Of zie je de duisternis niet, en de vloed van water die je bedekt?

[12] Is God niet in de hoge hemel? Zie toch de hoogste sterren, hoe verheven ze zijn.

[13] Maar jij zegt: Wat weet God ervan? Zou Hij door de donkere wolken heen oordelen?

[14] De wolken zijn voor Hem een schuilplaats, zodat Hij niet ziet; en Hij wandelt over de omtrek van de hemel.

[15] Blijf je je houden aan het eeuwenoude pad dat de onrechtvaardige mensen betreden hebben?

[16] Zij zijn uitgeroeid, terwijl het de tijd nog niet was; een rivier is over hun fundament uitgestort.

[17] Zij zeggen tegen God: Wijk van ons! Wat zou de Almachtige voor hen doen?

[18] Hij had immers hun huizen met het goede gevuld. Daarom is het voornemen van de goddelozen ver van mij.

[19] De rechtvaardigen zien het en verblijden zich, en de onschuldige bespot hen.

[20] Immers, onze tegenstander wordt uitgeroeid, en het vuur verteert wat van hen over is.

[21] Gewen je toch aan Hem en heb vrede; daardoor zal het goede over je komen.

[22] Ontvang toch het onderricht uit Zijn mond, en leg Zijn woorden in je hart.

[23] Als je je bekeert tot de Almachtige, zul je gebouwd worden. Doe het onrecht ver weg van je tent.

[24] Laat het goud in het stof liggen, en het goud van Ofir bij de rots van de beken,

[25] dan zal de Almachtige je goud zijn, en je schatten aan zilver.

[26] Ja, dan zul je vreugde scheppen in de Almachtige, en je zult je gezicht tot God opheffen.

[27] Je zult vurig tot Hem bidden, en Hij zal je verhoren; en je zult je geloften nakomen.

[28] Als je een zaak besluit, dan komt die voor je tot stand; en op je wegen zal het licht schijnen.

[29] Als ze iemand vernederen, en je zegt: Omhoog! dan zal God degene die de ogen heeft neergeslagen, verlossen.

[30] Hij zal zelfs degene bevrijden die niet onschuldig is; die wordt bevrijd door de reinheid van jóuw handen.

Job — Chapters